|
Terschellinger Historie in een notendop
De walvisvaart
In de tweede helft van de 17e eeuw, na de opheffing in 1642 van de Noordse Compagnie die het monopolie had gehad, verhuurden talrijke schippers hun schip één of meerdere keren voor de walvisvaart. Dit betrof schepen, waarmee gewoonlijk reizen naar Frankrijk en de Oostzee werden gemaakt. De huurders, merendeels Amsterdamse kooplieden, zorgden voor de uitrusting, monsterden een bemanning en contracteerden een commandeur.
|
|
Poolkaart van omstreeks 1720 met het werkgebied van de Nederlandse walvisvaarders. In aanvang eerst bij Spitsbergen maar later verschoof dit meer naar de Groenlandse kustwateren.
|
Na terugkomst van de walvisvangst kon er voor de winter nog wel een reis naar Noorwegen of de Oostzee worden gemaakt. In de 18e eeuw veranderde dat. De walvissen hadden zich teruggetrokken tussen het drijfijs en daar waren gewone koopvaardijschepen onbruikbaar, er moesten speciale versterkte schepen worden gebruikt. Een aantal Terschellinger schippers voer als commandeur naar het noorden. De walvisvaart spreekt tot de verbeelding, maar het aantal erbij betrokken Terschellingers is niet zeer groot geweest.
|