Terschellinger Historie in een notendop

De visserij

Er moet op Terschelling al vroeg een levendige handel in verse vis zijn geweest. Zo levendig, dat er voor de eilandbevolking niets overbleef en de vis het eiland verliet om elders meer op te brengen. Dat valt te concluderen uit een in 1537 vastgestelde rechtsregel. De eerste aanwijzing voor handel in vis op Terschelling was toen al bijna een eeuw oud. In 1545 werd de vishandel nog eens bevestigd. Jan van Kets, toen drost van Terschelling, verklaarde mede namens schepenen en raad dat Harderwijk altijd de visstapel voor de Terschellingers was geweest, en dat dat altijd zo zou blijven. In die tijd deed vis ook dienst als betaalmiddel voor landhuur, waaruit we kunnen opmaken, dat de kustvisserij ook als nevenbedrijf door de boerenbevolking werd uitgeoefend.

Botters en blazers in de haven van West omstreeks 1930.

In 1563 werd met de Gravin van Aremberg een pachtcontract afgesloten voor de in en bij de duinen gelegen landerijen. De pachtsom zou bestaan uit jaarlijks een hoeveelheid verschillende soorten vis. Maar de oorlog kwam, Terschelling werd in 1583 door de Staten van Holland in beslag genomen, en de vispachten bleven verder onbetaald. In 1611 werd een nieuwe pachtovereenkomst afgesloten. De Terschellingers verklaarden toen, dat er al ruim twintig jaar niet meer met netten werd gevist, zodat het heel moeilijk zou zijn om aan de verschillende soorten gedroogde vis te komen. De onbetaald gebleven vispachten werden kwijtgescholden, hij nam genoegen met een verering bestaande uit een hoeveelheid honing, Griendse kazen en gezouten vis.

Toen in december 1665 een hevige storm de kusten van Frankrijk tot Noorwegen toe teisterde werden op Terschelling niet alleen de dijken beschadigd. Van West-Terschelling gingen in één klap 42 mannen die waren uitgevaren om te vissen met hun galjoten ten onder. Ze lieten 126 weduwen en wezen achter. In 1700 kreeg de gereformeerde diaconie van West-Terschelling toestemming om een visverlegger aan te stellen. De armenkassen raakten leeg, en de vishandel moest uitkomst bieden. De visverlegger schoot een visserman die zijn vangst kwam verkopen de opbrengst voor, en inde daarna het geld bij de klanten. Vissers en klanten betaalden beiden een kleine commissie, driekwart stuiven op de gulden, dat is 3,75%, en dat geld was dan voor de armen. Pogingen om buiten de afslag en dus ook buiten de verlegger om te handelen leverden in 1737 het verbod op om beneden de Walle - dat is op de lage oever voor het dorp - of op het strand of langs de straten vis te verkopen. De visbank in de Lange Buren, nu de Commandeurstraat, bleef tot in de twintigste eeuw de plek waar de verse vis moest worden verkocht.

© 2001-2005 www.Schylge en Alternate Experience, alle rechten voorbehouden