|
Terschellinger Historie in een notendop
De Brandaris
De oudste kaart waarop een toren op Terschelling te zien is dateerd uit 1529/1530. Een kaart van Willem Jansz Croock, die mogelijk overgetekend is van een oudere kaart. Het eerste schriftelijke bericht over een toren bij West-Terschelling dateert van 1559. Op 21 september wordt dan de Ste Brandarius toorn opder Scellinck besproken in de Amsterdamse vroedschap. Hij is dan al vanouds een welbekend baken in zee, waar de binnenkomende schepen hun koers op bepalen.
De toren en de kerk liepen echter gevaar. De toren wordt kennelijk door de zee bedreigd, want de Terschellingers hebben beloofd ten behoeve van de toren voor honderd wagens wier te zorgen of voor zoveel meer als ze zelf kunnen verkrijgen. In 1563 komt er een bericht dat de Ste Brandarius thoorn zeer door het water wordt gehavend en zeker om zal vallen. Er gaat een delegatie naar Terschelling om te kijken. Of er ook iets gedaan werd blijkt nergens uit. Een Amsterdamse stroommeester en een Terschellinger loods meten dat jaar wel op hoever de toren nog van de waterkant staat. In november 1592 luiden de Terschellingers dan de noodklok. Naar aanleiding van de naar Enkhuizen geschreven brief gaat er een deputatie uit enige steden naar Terschelling. Deze concludeert dat de toestand van de toren inderdaad onhoudbaar is geworden.
|
|
Met de plaatsing van een electrisch licht in 1907 werd aan de noordzijde een machinehuis gebouwd met daarin twee motor-aangedreven generatoren.
|
Op 21 januari 1593 besluiten de Staten van Holland dat er zo spoedig mogelijk een nieuwe toren moet komen, en dat men zal trachten de oude overeind te houden. Op 22 januari kunnen de Terschellingers weer een brief naar Enkhuizen schrijven: de zee heeft de toren zodanig ondermijnd dat hij die dag is omgevallen en in zee gestort. Op 17 februari wordt het bouwplan van de nieuwe toren vastgesteld. De toren wordt aanbesteed, de aannemer gaat aan het werk. In oktober is de toren al bijna klaar, maar stort vervolgens in. Onderzoek wees het uit: te veel haast bij de bouw, te veel gebroken stenen verwerkt, de stenen waren te zacht. De fundering blijkt in goede staat en de aannemer begint opnieuw, ditmaal met hardere stenen. Najaar 1594 wordt hij opgeleverd, een stukje hoger dan hij nu is.
Nadat de toren tot vuurtoren verbouwd was en er een kaarslantaarn in geplaatst was, bleek deze niet te voldoen. Het licht was veel te zwak. De hele opbouw moest er maar af, vond men en dan moest er maar een vuur op de toren worden gestookt. Dat is nooit gebeurd. Een vuurbaak op een naburig gelegen duin was een veel eenvoudiger oplossing. Later kwam er nog een vuurbaak bij. Ze zijn in gebruik gebleven tot op 23 december 1835 het lenzenstelsel om de grote olielamp begon te draaien. Dat ging erg langzaam, één omwenteling per 8 minuten in plaats van de 20 seconden van tegenwoordig. In 1864 werd het draailicht vervangen door een groot staand licht. Het eerste elektrische draailicht kwam in 1907. Het dreef op een met kwik gevulde bak, die pas bij de laatste restauratie is afgeschaft.
|