|
Terschellinger Historie in een notendop
De haven
Oorspronkelijk sloot de Terschellinger dijk ergens in wat nu de oostelijke havenkom is aan op de hoge zandplaat waar het dorp is ontstaan. De eerste ons overgeleverde poging de opdringende stroomgeul tegen te houden dateert uit 1618. Het betrof de aanvraag van de aanleg van een aantal hoofden. Het verzoek moest een paar maal herhaald worden, maar werd eind 1619 ingewilligd. De toen getroffen maatregelen liepen echter uit op een droeve klucht. De vier hoofden was slechts een kort leven beschoren. De ingeheide palen werkten zich weer los uit het zand en spoelden aan op Terschelling en de Friese kust. Gecommiteerde Raden zagen wel in dat opnieuw inheien geen zin had.
In 1688 kreeg West-Terschelling bezoek van een commissie uit de Staten van Holland, die de toestand rond de zeegaten kwam inspecteren. Hun schip ging in een bocht dicht bij de wal voor het dorp ten anker. Daar bleek een geul te lopen die wel tien meter diep was. Als die zijn gang kon gaan zouden het hele dorp, de Brandaris en een deel van het eiland zeker wegspoelen. Ze stelden voor om vier hoofden aan te leggen! Gecommiteerde Raden kregen het verslag toegestuurd, maar hun eigen deskundigen die met de commissie mee waren gegaan, waren tot een heel andere conclusie gekomen. Er kunnen daar nooit behoorlijke hoofden worden gemaakt. Het is er te diep en de stromen zijn er te sterk. Er zit dan ook maar één ding op, afwachten wat de natuur gaat doen en hopen dat het menselijk vernuft in de toekomst meer zal weten uit te richten.
|
|
Prent van een fregat ten anker in de diep uitgeslepen geul voor Dellewal omstreeks 1720 door P.I. Portier. Of deze plek ook werkelijk geschikt was voor ankerplaats is echter twijfelachtig.
|
In 1749 wendden een aantal verontruste personen zich rechtstreeks tot de Erfstadhouder, Prins Willem IV om de ernst van de situatie duidelijk te maken. De Stadhouder gelastte een onderzoek en een uitvoerig rapport. Het hielp, er kwamen plannen om de tegenaanval in te zetten. In het zuidwesten van het dorp werd de eerste fase aangelegd van wat nu de lang westelijke havendam is, toen bekend als hoofd P. Ruim 300 meter noordelijker kwam nog een hoofd Q, dat door veranderingen in de kustlijn later overbodig zou worden.
In de jaren na 1749 werden er verschillende methoden toegepast om het dorp verder te beschermen tegen het water waarbij de ene methode meer succes boekte dan de andere. In april 1753 werd uiteindelijk besloten om een dam van rijswerk enzovoort te maken van het oosteinde van West-Terschelling tot op de Middelplaat. In het eerste seizoen werd onder water de basis gelegd, die goed de winter doorkwam, het volgende jaar werd het werk voortgezet. Arie Kuijck, kribmeester uit Werkendam en vanaf het begin bij de werken betrokken, was dus op dezelfde manier bezig als Waterstaat na de ramp van 1953, met caissons op een bed van zinkstukken. Als najaar 1754 het werkvolk naar huis gaat ligt daar de Grote Dam, de verwoestende ebstroom is geweerd. Tussen 1757 en 1758 werd de dam verlengd. Na doorbraken in 1792, 1793 en 1805, moest het westelijke stuk worden opgegeven en kreeg de Verlengde Dam zijn tegenwoordige lengte, nog steeds met een inlaag dat vanaf de boot goed is te zien.
|