|
Terschellinger Historie in een notendop
De duinen
De duinen zijn een door de natuur opgeworpen zeewering, die door diezelfde natuur op de ene plaats met afbraak wordt bedreigd, maar elders juist wordt versterkt. De Hollandsche heren van Terschelling zagen ze o.a. als hun particuliere jachtgebied. Door de Staten van Holland werden ze gezien als inkomstenbron door verpachting. De plaatselijke bevolking zag ze als uitwijkplaats voor het vee, als brandstofleverancier, als particulier jachtgebied en als herkomstplaats van het zo hinderlijke stuifzand.
|
|
In het midden van de 18de eeuw lag het dorp West aan de uiterste hoek van het eiland, aan de westkant enkel door een kleine duinenrij beschermd. De geul daarvoor, die aan de noordkant was verzand, heette het ' Makkelijk Oud', een makkelijk houdende ankergrond voor wachtende schepen.
|
Vanaf 1507 zijn er door de jaren heen verschillende brieven en rapporten geschreven over de duinen. De onderwerpen waren o.a. overlast van wilde katten, het plukken van helmgras of gagel, overlast van de konijnen en de pacht omtrent de duinen. Uiteindelijk in 1907 worden de duinen rijkseigendom. De zorg voor de duinen wordt opgedragen aan Staatsbosbeheer.
In 1909 wordt begonnen met de aanleg van de bossen. Te midden van de bossen ligt het duinmeertje "Dodemanskisten". De wonderlijke naam werd in 1769 verklaard. Er werden toen voor het eerst strandpalen geplaatst op een onderlinge afstand van 300 roeden, ongeveer een kilometer. Aan de opdrachtgevers werd bericht dat de eerste paal was geplaatst ten westen van Dodemanskisten, de plek waar de doden zijn begraven, gestorven aan boord van een vloot koopvaarders die in vroeger tijd in het Maklijk Oud in quarantaine moesten liggen.
|