|
Terschellinger Historie in een notendop
Het ontstaan van Terschelling
Enige duizenden jaren geleden was het ontstaan van een zandbank het begin van de geschiedenis van Terschelling. Deze zandbank ontwikkelde zich tot een zandwal, doorsneden door zeegaten. De gaten verzanden en zo kon de huidige vorm in de loop der tijd ontstaan.
Achter de strandwal, waar het water betrekkelijk rustig was, ontstond een wadden- en kwelgebied doordat er deeltjes zand en klei bezonken. De verplaatsing van zand door de wind en het drogen hiervan door de zon zorgde ervoor dat heuveltjes ontstonden die begroeiden met planten die het zand vasthielden. Op deze manier ontstonden de duinen.
Op de plaatsen waar het zoute zeewater niet meer kon komen, kon de regen het water ontzilten. Er ontstond een zoetwatervoorraad in de grond. Door de stijging van het zeewater steeg ook het grondwaterpeil. Hierdoor ontstonden laagjes veen. Door stuifmeelonderzoek uit deze veenlagen is het mogelijk na te gaan wat voor planten er groeiden. Het in alle veenlaagjes aangetroffen stuifmeel van planten zoals weegbree is een duidelijke aanwijzing voor menselijk bewoning.
De eerste nederzettingen ontstonden op de hogere gronden, gevormd door de oude duinen: Seerijp (Stryp), Kinnum, Kaard (Kaart), Hee en Horp. Midsland en Baaiduinen liggen ook op oude duinen, maar zijn pas in respectievelijk de late middeleeuwen en de 19e eeuw ontstaan.
|
|
Omstreeks het begin van de jaartelling lagen op de plaats waar Terschelling zal ontstaan nog maar twee kleine eilandjes, gescheiden door een zijarm van het Borne. Deze geul verzandde langzaam tot omstreeks de 8ste eeuw er één eiland ontstond.
|
Door stormvloeden die na de elfde eeuw optraden werden de bouwsels van de zee en wind weer afgebroken en ontstond de waddenzee. De noodzaak tot het bouwen van dijken ontstond. Het zand dat door de afbraak vrijkwam, kwam langs de kust terecht waar de wind er duinen van kon vormen, hoger en anders van vorm dan de oude duinen. Hierop liggen: Landerum, Formerum, Lies, Hoorn en Oosterend.
Uit onderzoek van de veenlagen, op de plaats waar vroeger een met de zee in verbinding staande geul liep, is gebleken dat de oudste veenlagen dateren uit de periode 1280-1390. Aangezien veen in zoetwater gevormd wordt is dat een aanwijzing op dijkaanleg in die tijd.
West-Terschelling is ontstaan op een hoge zandplaat, de Schelling, die van de rest van het eiland werd gescheiden door een uitstrekkende duinformatie. Het Grootduin is hiervan het restant. Enkele verdwenen gehuchten zijn: Wolmerum, Stattum, Schittrum en Stortum. Stortum verdween als laatste, in het begin van de 19e eeuw.
|